Dat opvoeden gaat er in Frankrijk heel anders aan toe

Renée Koudstaal leeft tussen Parijs en Amsterdam en schrijft onder andere voor haar blog Le Style Parisien Haar zoontje gaat in Nederland naar school. Ze staat nog dagelijks versteld van de opvoedkundige verschillen tussen beide landen. En ook al doet ze echt heel erg haar best, aan sommige dingen kan ze hier maar gewoon niet wennen.  

Lees ook: Natuurlijk bevallen zaligmakend? Verloskundigen krabbelen terug.

Natuurlijk was ik me er wel van bewust dat het er heel anders aan toe ging in Nederland. Ik heb namelijk evenveel in beide landen gewoond. Ik dacht goed voorbereid aan mijn ouderschap in Amsterdam te beginnen, met de insteek om lekker stug vast te houden aan de strengere Franse opvoeding. Dat bleek niet zo makkelijk te zijn als de omgeving het heel anders aanpakt. Wat voorbeelden van dingen die in Nederland anders gaan:

Op zoek naar een crèche in Nederland werd mij tijdens een intake gesprek uitgelegd: “Maakt u zich maar geen zorgen, wij zeggen geen nee tegen kinderen.” Dan maak ik me dus meteen zorgen, want wat als mijn kind iets gevaarlijks doet? “Dan,” zo legde de leidster uit, “knielen we en leggen we in kindertaal uit waarom het geen goed idee is, door een beter idee voor te stellen. Vervolgens vragen we je kind om zijn mening en geven wij hem de ruimte om op een andere manier invulling aan de situatie te geven.” Ik hoorde niet langer de uitleg, maar piepende remmen en sirenes.

“Ja maar…” Waarom geeft een Nederlands kind altijd antwoord? Het duurde even voordat ik zelf hierop het antwoord vond. Omdat kinderen hier bij alle belangrijke en onbelangrijke keuzes betrokken worden, van het avondeten, de nieuwe auto, de nieuwe vriendin van papa tot de volgende vakantiebestemming toe. Ik maar denken dat ik aan mijn 41 jaren vol levenservaring enige voorrechten kon verlenen. Ik ben ouder, dus ik beslis. Au revoir!

Toen VeiligheidNL in 2017 een campagne maakte om jonge kinderen meer risico’s te laten nemen door ze met zakmessen te laten spelen en in hoge bomen te laten klimmen, begreep ik dat het fini was met het hand in hand over straat lopen, het liefdevol maar doch om de haverklap “Pas op!” roepen en het oplossen van todler battles in de zandbak. Al heb ik sterk het vermoeden meer gips, pleisters en bulten tegen de komen hier op school dan in Parijs: loslaten die peuter !

Daar zat Jim dan op zijn eerste schooldag: een donkerblauwe broek en v-hals trui met een wit kraagje en keurig gepoetste schoenen. Tussen de teenslippers, leggings met tijgerprint, Superman T-shirts, joggingbroeken, ballet-tutu’s, Uggs, hoodies en in alle kleuren van de regenboog gelakte kindernageltjes (van meisjes én jongetjes). Elke dag sta ik versteld van wat ik allemaal zie op de basisschoolcatwalk en ik geef het toe, af en toe app ik even een fotootje naar mijn Parijse vriendinnen… Onder het mom van  “ Ik integreer best wel”, heb ik mijn zoon beloofd dat als hij 18 is ook hij zelf mag kiezen wat hij aandoet.

“Kan jij Engels want ik wel, en Spaans, maar thuis praten we Ests” vertelt Nina (in het Nederlands) terwijl ze haar glaasje Roosvicee achterover slaat. Het was al even wennen voor mij om in sommige winkels alleen Engels te kunnen spreken, maar playdates lijken hier soms wel op een bijeenkomst van de Verenigde Naties, en dan zonder tolk. Trots ben ik dan als Jim “Ik kan lekker Frans” hoor zeggen. Heeft hij dat chauvinisme toch meegekregen.

“Waar kwam jouw baby uit?” Deze vraag, die mij gesteld werd door een vier jaar oud klasgenootje, bevat wat mij betreft twee problemen. Het ge-je en jij, nee daar zal ik nooit aan wennen. Want dat gaat veel verder dan een taalkundig iets. Een Nederlands kind benadert alles en iedereen als een gelijke. Prima. Maar wat is er mis met een u? Of met “Mag ik wat vragen?” Of af en toe te horen krijgen dat bepaalde vragen niet netjes zijn? (Ik heb als antwoord hierop natuurlijk gevraagd wat haar eigen mening was.)

“Nee dan heb ik voetbal, na schaken dan. En voor judo. Want zwemmen begint pas over twee weken weer.” Het even makkelijk afspreken, het gezellig improviseren van een playdate, ik heb het opgegeven. Een “agenda de ministre” noemen we dat in Frankrijk, de planning van een gemiddeld kindje hier geeft geen enkele ruimte voor last-minute ideeën. Of voor het gewoon lekker thuis zijn. Of voor het even bijkomen van het zware leven van een kleuter. Vanuit welk schuldgevoel worden al deze activiteiten gepland? Is het thuis niet leuk? Ik blijf vasthouden aan het samen koekjes bakken, hutten bouwen en verstoppertje spelen, en dat zonder Outlook-agenda. Mijn kind geen kleuter-burn out.

En dan last but not least, de volumeknop. Hebben ze niet, Nederlandse kinderen. Als ze er zijn dan hoor je ze ook, ongeacht de plek of situatie. Het Nederlandse kind is aanwezig, letterlijk en figuurlijk. Maar wie kan hen dat kwalijk nemen, ze zijn natuurlijk ook heel erg belangrijk, belangrijker dan alles en iedereen. En als ik me niet kan bedwingen om een heel klein beetje geïrriteerd te raken dan hoor ik ouders zuchten “die arrogante Fransen…”

Intussen ben ik vier jaar en twee kinderen later en begin ik de Nederlandse opvoeding goed te begrijpen. De wereld past zich hier aan aan het kind, niet andersom.  Of ik een voorkeur heb voor een van beide opvoedstijlen, hangt van het perspectief af. Ik denk dat het leven van een ouder wat gemakkelijker is in Frankrijk aangezien je minder druk ervaart om alles vanuit het kind te organiseren, maar dat de kinderen in Nederland over het algemeen gelukkiger zijn. En daar doen we het toch voor? Althans, ik wel (met name op de dagen dat de nanny er niet is).

Lees ook: 15 Opvoedingswetten van tachtig jaar geleden (knuffelen was nergens voor nodig!)

Lees ook