Hoe ik een krijsmoeder werd genoemd in de supermarkt en de middelvinger kreeg

Met kleine kinderen naar de supermarkt: Franke is daar niet goed in. Daarom bestelt ze altijd online. Maar nood breekt wetten en toen moest ze toch even snel wat spullen halen. Het duurt weer zes jaar voor ze er weer naar binnen durft, want het werd een totale Apocalyps.

LEES OOK: Ode aan de mevrouw die me te hulp schoot in de supermarkt

Het was een vrijdagmiddag. Spontaan hadden we met de buren besloten te gaan borrelen. Borrelen zonder vette hap is voor mij geen borrel, waarop ik werd genoodzaakt extra boodschappen aan te schaffen die niet op mijn lijstje voor die week hadden gestaan: wat Spaanse worst, een zak chips, drie kaasjes en olijven. En dus toog ik met Puk (6) en Olle (3) naar de blauwe supermarkt om nog snel wat knabbeldingen te scoren. Daar ging het helemaal mis. Wat overigens niet aan de blauwe supermarkt ligt, want die doet er alles aan om dat vreselijke kindergebroed onder controle te houden, met gratis bananen, pakjes rozijnen, een auto om in te zitten en een schermpje, midden in de winkel.

Het was vast een verkeerd moment om snacks te scoren, namelijk einde middag, einde week, einde alles. De kinderen waren moe, chagrijnig, hongerig. De kinderen hadden zin om te keten, uitkijkend naar de gezellige borrel. Ik weet niet wat het was, ongetwijfeld een mix van bovenstaande factoren. Een mix waarover ik niet goed had nagedacht van tevoren, en die me, zodra ik een voet in buurtsuper zette, meteen zou bezuren. De kinderen pakten allebei een klein karretje om vervolgens de boel vreselijk op stelten te zetten. Tegen elkaar aan bosten, tegen personeel aan botsen, krijsen, janken, zeuren om van alles en nog wat: met de minuut werd ik kwader en kwader. ‘Pas op voor die mevrouw,’ ‘Nee, je mag geen doos Magnums’, ‘Nee jullie mogen niet zelf jus tappen’, ‘Blijf van die donuts af’. Ze kregen het voor elkaar om binnen een paar minuten het bloed onder mijn nagels vandaan te halen. Ik had ze niet meer onder controle, had geen idee wat ik nou eigenlijk in mijn mand had gesmeten en wist niet meer wat ik hier kwam doen, want mijn boodschappenbriefje was in de commotie ergens heen gedwarreld en god mag weten waarnaartoe. Ik trok de kinderen naar me toe, siste dat ze naar het schermpje moesten gaan en daar op mij wachten en probeerde met mijn lurpe hersens te bedenken of één salamiworst genoeg was voor zeven man. En toen hoorde ik Olle schreeuwen, zo hard dat bij mij het licht uitging.

Woedend, met vlekken voor mijn ogen, sprintte ik naar het gangpad waarvandaan ik het geluid meende te detecteren. En daar stonden ze, de karretjes tegen elkaar aan botsend – te ruziën met zijn twee. ‘Koppen dicht! NU!!!!’ schreeuwde ik, waarop een man zich in het voorbijgaan liet ontvallen: ‘Oh, nu snap ik van wie die ordinaire kinderen het hebben: van die krijsmoeder.’ De man, luchtig gekleed in een linnen pak, met nette mocassins en zijn hemd lekker luchtig open geknoopt zodat zijn borsthaar parmantig naar buiten stak, keek met een zelfvoldaan lachje mijn kant op. Ik wilde exploderen, daar, op dat moment. Ik wilde door de grond zakken. Ik ging kapot. Ik voelde me zo machteloos, beledigd, vermoeid en alles. Kortom, ik voelde me een klotemoeder. Ik voelde me bagger. Gewoon, bagger. Een kutgevoel, kan ik je vertellen. Met een brok in mijn keel keek ik de keurige man aan en zei terneergeslagen: ‘En wat draagt deze opmerking bij aan de wereld?’ Niet-begrijpend keek hij me aan. ‘Nee, maar echt,’ herhaalde ik. ‘Wat heb jij met deze opmerking gedaan om dingen beter te maken voor jou of mij of dit moment?’

De man rolde met zijn ogen en liep weg, zonder iets te zeggen. ‘Oh wacht!’ zei ik, luider nu omdat de woede het weer van mijn onzekerheid begon over te nemen: ‘Jij voelt je natuurlijk beter, nu je een moeder die haar kinderen niet onder controle heeft, terecht hebt kunnen wijzen. Want daar word jij zelf natuurlijk een beter persoon van. Nou, bedankt voor je hulp!’ Trillend pakte ik de karretjes van de kinderen, waarbij ik nog net niet in huilen uitbarstte, wat ik het liefst wel had gedaan. Gewoon effe keihard janken. Maar toen deed de keurige meneer iets wat het evenwicht in de wereld herstelde. Hij liep langzaam bij me vandaan, en stak daarbij heel stiekem achter zijn rug zijn middelvinger op. Zonder me aan te kijken, zonder iets te zeggen, was daar die dikke vette middelvinger. ‘Mama, wat doet die meneer?’ vroeg Puk, waarop ik een zucht van opluchting slaakte. De keurige meneer bleek zelf helemaal niet zo keurig. HA! Ik voelde me stúkken lichter bij die wetenschap en trok mijn kinderen haastig mee naar de kassa. Ik kon er weer even tegenaan.

Die supermarkt, daar zul je me voorlopig even niet meer vinden. Dat probeer ik weer over een jaar of twee. En mocht ik tegen die tijd een oververmoeide, zwetende moeder tegenkomen met kleine kotertjes die de boel verstieren, dan zal ik haar helpen door de kinderen af te leiden, een knipoog te geven of een karretje uit het gangpad te vissen. Ik mag dan een krijsmoeder zijn, aan stiekeme middelvingers flippen doe ik niet.

Franke schrijft, coördineert en redigeert voor verschillende (online) magazines. Ze heeft twee kinderen, Puk (6), en Olle (3). De Tropentijd vond ze heel heftig, want slapen is een grote hobby en daar ontbrak het nogal eens aan. Zit het liefst op het strand in haar vrije tijd.

Lees ook
Geschreven door
More from Franke van Hoeven

10 kinderfoto’s die elke ouder maakt. Jij ook, wedden?

De ‘schele baby’. De ‘kijk-nou-wat-ie-deed-toen-ik-even-niet-oplette’. De ‘lugubere selfie’. Wedden dat jij deze...
Lees verder