Waarom ik baby’s doodeng vind

Als de zon van huis is, dansen de virussen op tafel. Of op je kinderen eigenlijk vooral. Iedere ouder houdt iedere winter weer het hart vast. En Vala al helemaal, want die heeft een baby. En kleine baby’s en virussen, daar krijgt ze echt de rillingen van.

Hartstikke lief en leuk hoor, zo’n baby, maar ik heb mijn kroost toch liever een (flinke) slag groter. Mijn twee oudste Terroristen zijn inmiddels 6 en 4 jaar oud en uitgegroeid tot twee flinke kinderen die wel tegen een stootje kunnen. Een hele opluchting, wat mij betreft, want nu hoef ik me geen gierende zorgen meer te maken als ze een keer koorts krijgen, of zich twee dagen lang binnenstebuiten kotsen van de buikgriep. Leuk is het niet, maar inmiddels heb ik er vertrouwen in dat het met een hoop knuffels, kopjes slappe thee en Sinaspril wel weer goed komt. Maar voor nr. 3 houd ik mijn hart alvast weer vast. Want al die Nederlandse wintervirussen bij mijn kleine baby, ik krijg daar zowat een nervous breakdown van. Het is dat ik niet te boek wil komen te staan als de dorpsgek, maar anders zou ik haar het liefst de hele winter in zo’n steriel wit pak hijsen. Of opsluiten in een luchtdichte kamer. Onorthodox misschien, maar alles beter dan bacillen bij mijn baby.

Lees ook: Als mensen het niet begrijpen dat je kind ziek is.

Zieke baby’s vind ik namelijk doodeng. Die kleine lijfjes zijn nog zo teer en kwetsbaar, die kunnen al dat Hollandse ziektegeweld gewoon niet hebben. Wat mij betreft niet in ieder geval. En ja, ik weet dat ze hun immuunsysteem moeten opbouwen en dat het daarvoor nodig is dat ze het één en ander krijgen. Maar echt, ik schijt zeven kleuren bagger als het kwik van de thermometer in mijn baby’s achterste boven de 37.5 uitkomt. Koortsstuipen, uitdroging, hersenvliesontsteking, de doemscenario’s schieten direct door mijn hoofd als ik denk aan de winter die nog maanden duurt. Aan de regen, de wind en de kou en grote broer en zus die van school thuiskomen met bubbelende groene bellen uit hun neus en de racekak sijpelend langs hun benen, die ze dan vervolgens afvegen aan de baby, waardoor dat hele kleine lichaampje totaal op tilt slaat. Mijn maag draait zich om bij de gedachte eraan alleen al. Kun je nagaan wat een drama het wordt als daar dan ook nog het Noro-virus overheen komt.

Toen ik nog studeerde, vertelde een docent mij eens het verhaal van zijn zoontje dat Meningitis kreeg en daardoor in zijn armen is gestorven. Dat verhaal is me altijd bijgebleven en als ik eraan terugdenk lopen de rillingen me nog steeds over de rug. Als ik dan ’s ochtends mijn baby zit te voeden, dat kleine lijfje in mijn armen, starend in die lieve blauwe oogjes, dan kan ik alleen maar wensen dat die babytijd, in ieder geval dat eerste jaar, heel snel voorbij is. Zodat mijn dochter wat steviger is, niet meer dat kwetsbare hoopje dat ze nu nog is. En dat ze een groot deel van haar vaccinaties heeft gehad. Want hoewel de meningen daarover heftig zijn verdeeld, kijk ik er reikhalzend naar uit, naar die prikken. Naar het moment dat mijn baby grotendeels beschermd is, tegen enge dingen zoals Mazelen en Meningitis. Want ik lig daar ’s nachts echt wakker van, van het idee dat ze zoiets oploopt en dan heel erg ziek word. Ik weet namelijk hoe het is om met een hele zieke baby in het ziekenhuis te zitten. Een baby aan allerlei slangen, draden en piepende machines. En echt, dat hoop ik nooit meer mee te maken.

Mijn Terrorist nr. 3 is inmiddels vijf maanden oud. Met lekkere spekrollen en drie onderkinnen en haar eerste griepje heeft ze laatst alweer overleefd. Ik weet ook wel dat ze, hoe klein ze nu ook nog is, best al wel wat hebben kan, dat een virusje haar er echt niet zomaar onder krijgt. Maar toch kan ik niet wachten tot het griepseizoen voorbij is word ik soms zwetend wakker van het idee dat ze straks een keer écht ziek word. Die babytijd, het gaat zo snel, zeggen ze altijd, maar mij kan het eigenlijk niet snel genoeg gaan. Vanmorgen heb ik weer een stapel kleertjes op kunnen bergen omdat ik haar spekvetjes er niet meer in gepropt krijg. En hoewel het best even slikken was om die kleine rompertjes weg te leggen, moest ik ook even heel diep zuchten van verlichting. Want iedere maat die ze omhoog gaat, betekent in mijn ogen weer een stukje meer stevigheid, weer een beetje minder kwetsbaarheid. En dus weer een klein beetje rustiger slapen. Wat voor mijn eigen weerstand dan ook weer voordelig is.

Hoe lief ze ook zijn, die baby’s, doet u mij maar grotere kinderen. Met wie je niet naar de EHBO hoeft na een paar uur diarree. Die je niet gillend van de jeuk in een bad vol havermout hoeft te zetten, omdat ze vol zitten met waterpokken en die je niet hoeft te reanimeren omdat ze besmet zijn geraakt door iemand die langs liep met een koortslip. Kleine baby’s zijn niet goed voor mijn gemoedsrust, zeker niet in ons koude kikkerlandje. Ik overweeg dan ook serieus om terug te emigreren naar Californië, waar het nooit winter is en ze bovendien gewoon vaccineren tegen iedere bacil die er bestaat. Dan kom ik wel weer naar Nederland als Terrorist nr. 3 naar school moet en inmiddels zoveel zonuren en vitamine D binnen heeft gekregen dat ze zelfs van de builenpest of Ebola nog niet omvalt. Want alleen al van de gedáchte aan die Nederlandse winter word ik spontaan ziek. Daar heb ik niet eens een virus meer voor nodig.

Lees ook: Wat je dus vooral niet moet doen als je ziek bent.

Lees ook