Wensvader gezocht (deel 2): “Hoe weet ik dat het geen psychopaten zijn?”

Geen relatie, wel een kind. Merel is aan het Googelen geslagen naar de mogelijkheden. Co-ouderschap met een leuk homostel, dat lijkt haar wel wat. Er blijken allerlei datingsites voor wensouders te zijn.

Steven en Jian zijn 44 en 33 jaar oud, zegt hun profiel. Allebei managers. Ze hebben al een tijd een kinderwens. Jian komt oorspronkelijk uit China en wil de biologische vader zijn. China, China, echoot het in mijn hoofd. Een half Chinees kindje dus. Is dat oké? Natuurlijk is dat oké, denk ik meteen geschrokken, iedereen is oké. Maar in dit geval zal mijn kind half Chinees zijn. Ik riep altijd dat ik een regenbooggezin wilde, met allemaal gezellige kleurtjes. Maar van hippie-idee naar werkelijkheid is toch wel een stap. Het belangrijkste mensje in mijn leven zal voor de helft van een cultuur zijn waar ik nauwelijks iets vanaf weet.

Lees ook: Dit zijn mijn 33 redenen om een derde kind te willen.

Ik stuur zes berichten. Naar vier homostellen, een homoman alleen en een heteroman alleen. Hallo, ik ben een 34-jarige heterovrouw met een kinderwens. Wie zijn jullie? Ik krijg vijf berichten terug. Shit, het zijn nog echte mensen ook. Eng. Steven en Jian zijn het meest voortvarend, we spreken een paar dagen later af. Gewoon even kletsen met mensen die in een vergelijkbare positie zitten. Ideeën uitwisselen. Een vrijblijvend gesprek, gehéél vrijblijvend.

Ze staan er al, voor het terras waar we wat gaan drinken. Ik stap van mijn fiets af, loop naar ze toe. Onzeker lachen ze naar me, zou zij…? Ik knik en steek mijn hand uit. Ik ben Merel. Jian. Steven. Fiets neerzetten, ik heb wat moeite mijn slot dicht te krijgen. We strijken neer op een terrasje. “Nou daar zitten we dan.” We lachen wat schaapachtig naar elkaar. “Jullie werken allebei als manager?” vraag ik. Steven vertelt over zijn baan, dankbaar voor de praktische voorzet. Ondertussen gluur ik naar Jian. Wordt dat de vader van mijn kind? Jongensachtig. Goede bouw. Leuk hoofd. Fijne lach. Ik merk dat ik probeer uit te vogelen hoe ons kindje eruit zou zien.

Drie uur later zeg ik dat ik er een eind aan wil breien. Ik ben uitgeput. We hebben het overal en nergens over gehad. Over onze eigen jeugd, huizen, vakanties, studies, inentingen, huisdieren, supernanny, Chinees eten, taal, borstvoeding, eten, slapen, blowen, een tweede kind, achternamen, religie, geesten, opa´s en oma’s. Totaal ongestructureerd, niet om een checklist af te werken, maar voornamelijk om een gevoel te krijgen. Wie zijn ze? Wat zijn hun normen en waarden? Zouden dit mensen kunnen zijn waarmee ik het kostbaarste kan delen dat ik ooit zal hebben: een kind? Drie uur lang heb ik geprobeerd elk detail in me op te nemen.

Mijn hoofd loopt over als ik op mijn fiets stap. Amper de straat uit voel ik een enorme huilbui opkomen. Waar de tranen precies vandaan komen weet ik niet. Een soort shock, dat is hoe ik mijn staat het beste kan omschrijven. Thuis volgt de paniek. Ik zeg mijn eetdate af en lig hyperventilerend op de bank, voel en denk na, terwijl ik tegelijkertijd als springplank fungeer voor mijn twee kittens. Lekker ‘vrijblijvend’, dat gesprek. Mijn emoties gaan meteen met me aan de haal.

Als de storm wat afzwakt bel ik mijn moeder. “Natuurlijk raak je daarvan in paniek,” zegt ze. Ze had het een paar dagen geleden nog voorspeld. Dat wuifde ik toen weg: ik was inmiddels zo lang bezig met het idee een kind te krijgen dat deze hele weg smooth zou gaan, zo voorspelde ik. Niet dus. “Nu komt de droom een kind te krijgen opeens wel erg confronterend dichtbij,’” gaat ze verder. “Het kind is niet het probleem,” zeg ik. “De mánnen zijn het probleem. Of tenminste… de commitment.” Pas nu ik dit uitspreek realiseer ik me hoe waar dit is. Ik leg mijn hand op mijn wang en kijk naar buiten, naar mijn verwaarloosde dakterras. “Ik hou helemaal niet van commitment. Ik heb geen vaste baan, geen koophuis, geen man, geen kinderen, en dat is niet voor niets. Als een vriendin me vraagt waarom ik nog niet op haar Whatsappjes heb gereageerd, kan ze de silent treatment krijgen. Niemand die mij in een keurslijf krijgt. En dan zou ik nu een kind gaan maken met twee mensen die ik totaal niet ken? En waar ik de rest van mijn leven aan vast zit. Mijn LEVEN, hè? Hoor je wat ik zeg? Altijd. En. Eeuwig. Ook als het psychopaten blijken te zijn. O, mijn God. Straks zijn het psychopaten…”
“Ja…”
“Hoe lang duurt het voor ik weet dat het geen psychopaten zijn?”
“Ik denk niet dat je dat van te voren kunt weten. Je moet op je gevoel afgaan.”
Ik zucht. Als controlefreak heb ik liever een setje universele regels, waarvan ik vervolgens zelf beslis of ik ze in de praktijk breng of niet.

Vrijblijvend mijn r**t. It’s on. Ik kan aan nauwelijks iets anders meer denken. Als de paniek gezakt is voel ik een energie opkomen die ik in jaren niet heb ervaren. Ik keer het internet binnenstebuiten om meer van zulke datingsites te vinden. Ploeg lijsten met voornamen door. Google half Chinese kindjes (mega schattig). De hele dag word ik op de gekste momenten door de gekste details overvallen. De kinderwagen kan in de kelder staan. Ik wil dat het kind mijn achternaam heeft. Moet de vader van mijn kind op dezelfde politieke partij stemmen als ik? Hoe pakken we de bevruchting eigenlijk aan?? Het is bizar en fantastisch tegelijkertijd.

Lees ook: Brief aan de single moeder: ‘In mijn ogen ben jij een held!”

Lees ook