Opvoedpoli (deel 4): “Jullie zoon heeft een regulatiestoornis”

Femke en haar man Reinier lopen sinds een paar weken bij de Opvoedpoli. Hun zoon Max (2 jaar en 9 maanden) is naar hun mening wel heel erg opvliegend en baldadig. Als hij zijn zin niet krijgt begint hij furieus te bijten, slaan en schoppen. En dat al sinds hij 18 maanden is. Het stel heeft hulp nodig om hiermee om te gaan. Vandaag deel 4: De Diagnose.

Vriendelijk glimlachend zitten ze tegenover Reinier en mij: de Speltherapeut en de Kinderpsycholoog. Ze hebben de videobeelden, die gemaakt zijn van ons contact met Max, bekeken en op basis daarvan hebben ze een plan van aanpak gemaakt. Vandaag krijgt onze peuterpuber zijn diagnose. “Een echte diagnose is het niet”, verzekeren ze ons, “want een kind van twee kun je nog niet diagnostiseren met een aandoening.” Wat ik ervan begrijp, is dat het een soort werkdiagnose is: een titel om het beestje een naam te geven en te benoemen wat we eraan gaan doen. “Max heeft een regulatiestoornis”, zegt de kinderpsycholoog ernstig. “Dat betekent dat hij moeite heeft met het uiten van zijn emoties en dat we samen gaan bekijken hoe we hem daarbij kunnen helpen. Vaak is er namelijk veel winst te halen bij een goede interactie tussen ouders en kind.”

Lees ook: De opvoedpoli (deel 3): “En hoe was jouw jeugd, Femke?”

Ik zeg dat ze daar zeker een punt heeft. Als voorbeeld neem ik gisterochtend. Max werd wakker en Reinier haalde hem uit bed. Toen hij Max vertelde dat hij naar de kinderopvang moest, flipte onze zoon totaal de pan uit. Het volgende uur was alles moeilijk: aankleden, luier verschonen, eten, schoenen aantrekken… Het ging allemaal onder luid gekrijs en werd gevolgd door schoppen, slaan en bijten. Ik lag nog in bed (het was Reiniers ochtend, wij verdelen de week qua ochtenden) en raakte geïrriteerd omdat ik door Max’ gedrag niet nog een half uurtje extra kon slapen. Woest stoof ik uit bed en snauwde tegen Reinier: “Wat is er aan de hand? Waarom kun je hem niet rustig houden?” Helemaal de verkeerde aanpak natuurlijk, want door mijn irritatie werd Max alleen nog maar kwader. En Reinier ook. “Op zo’n moment heb ik echt behoefte aan een plan”, zeg ik tegen de kinderpsycholoog. Ze knikt begrijpend.

Verderop in het gesprek benoemt ze dat Max’ aanhoudende razendsnelle ontvlambaarheid ook te maken kan hebben met zijn taalontwikkeling. In de video-opnames is haar namelijk opgevallen dat hij zinnetjes van twee woorden maakt en dat zouden eigenlijk al drie of meer woordjes moeten zijn. Ik voel een steek door mijn maag gaan. Ergens wist ik dit al. Max kent veel woorden, maar kan zichzelf nog niet heel goed verstaanbaar maken. Op de crèche hoor ik kinderen van zijn leeftijd al hele verhalen vertellen en Max komt niet verder dan: “Mamma, kom!”, of “Aaipet kijken?” Ik heb er vertrouwen in dat dit snel bijtrekt, maar ik snap wel dat hij nog steeds niet echt de woorden heeft om aan te geven dat hij het ergens niet mee eens is. Voor hem is het makkelijker die boodschap te communiceren door op de grond van de Albert Heijn te gaan liggen.

Reinier geeft aan dat we best vaak ‘om’ Max heen werken, omdat we niet willen dat hij zich wéér schuimbekkend uit het fietszitje probeert te wurmen. De fles, die allang uit zijn systeem hoort te zijn, is na verscheidene pogingen tot eliminatie nog steeds in zijn leven. We durven het gewoon niet aan om iets af te pakken wat klaarblijkelijk zo belangrijk voor hem is. Hij zal dan avonden lang erbarmelijk huilen, de buren zullen daar avonden lang last van hebben en wij zullen avonden lang niet aan onze rust toekomen. Allemaal zaken die ons in de weg zitten om ‘gewoon’ te zeggen: het is klaar met die fles.

Zoals ik wel vaker doe tijdens gesprekken, neem ik even afstand en bekijk de situatie waarin we zitten. Worstelend met een peuter en nu dan op de bank bij professionals. Terwijl er helemaal niks ergs met Max aan de hand is, daarvan ben ik overtuigd. Ik voel me schuldig. En ik schaam me. Dat ik dit nodig heb, dat ik niet gewoon de boel binnenskamers weet op te lossen. Alsof de speltherapeut mijn gedachten kan lezen zegt ze: “Ik heb altijd heel veel compassie met jonge ouders. Zelf kreeg ik heel jong kinderen en toen dacht ik: “Je moet het allemaal maar kunnen. Er is niemand die je van tevoren uitlegt hoe het gaat zijn en wat je precies moet doen.”

Ik besef dat ze het niet beter had kunnen verwoorden. Maar toch blijf ik een beetje gefrustreerd: ik had gedacht dat ik een natuurlijk talent voor opvoeden zou hebben. En dat is helaas onwaar gebleken.

Lees ook: Hoe overleef ik een peuter? De survivalgids.

Lees ook
Geschreven door
More from Femke Sterken

Goed nieuws voor zwangere vrouwen die antidepressiva slikken!

De gevolgen van het gebruik van antidepressiva tijdens de zwangerschap blijken mild. Volgens...
Lees verder