Waarom ik er alles aan doe om te voorkomen dat ik met de kinderen naar de speeltuin moet

Er zijn een aantal dingen waar je niet onderuit komt als je kinderen hebt. Spruitjes eten terwijl je die stiekem zelf ook niet lekker vindt. 300 Keer Frozen kijken. Kots opvangen met je blote handen. Allemaal prima, Vala heeft het er graag voor over. Maar er is één ding waar ze zich maar heel zelden toe kan zetten.

De speeltuin dus. Echt, wat een marteling vind ik dat. Maar kleine kinderen vinden dat helemaal de shit. Kinderen gaan het liefst iedere dag naar de speeltuin. Ook als de slagregens door de straat zwiepen, de ijsbloemen op de ruiten staan of er een tornado langs raast. Zelfs dan kom je niet weg ‘sorry schatje, het is echt geen speeltuinweer vandaag’ excuses. Wat kinderen betreft is het áltijd speeltuinweer. Dus zit er niks anders op dan regelmatig je handtas vol pakjes appelsap en boterhammen met pindakaas te proppen en richting de wipkippen te gaan. Om daar vervolgens een paar lange, traumatiserende uren door te brengen en uiteindelijk met klotsende oksels en je kinderen vol zand, schaafwonden en hondenstront weer huiswaarts te keren, alwaar je genadeloos aan de Sauvignon Blanc moet om de dag een plekje te geven.

LEES OOK: Lieve moeder Teresa.

Mijn probleem is namelijk dat ik gewoon niet zo van kinderen houd. Wel van mijn eigen kinderen, maar niet van die van andere mensen. Die stinken namelijk. En ze plakken en schreeuwen. Heel irritant. Maar het probleem met speeltuinen is, vooral in het weekend, dat er naast jouw eigen kinderen, onvermijdelijk nog 300 exemplaren van andere mensen rond krioelen en je daar dientengevolge dus vol mee geconfronteerd wordt. Dat je dan nietszeggende gesprekjes moet gaan voeren met sprieterige meisjes die Sophie en Emily heten, een spleet tussen hun tanden hebben en steeds maar willen dat je naar ze kijkt als ze ondersteboven aan de rekstok een driedubbele flikflak maken. Of opeens een volslagen onbekende, snotneuzerige dreumes met modderhandjes in je schoot geworpen krijgt, omdat dat kindje blijkbaar gek is op knuffelen, zijn ouders dat superschattig vinden en je dus weinig anders kunt dan beleefd glimlachen, het wildvreemde kind een klopje op zijn klitterige krullen geven en het met zachte dwang weer rechtsomkeert duwen. Maar goed, dan heb je inmiddels al krentenbaard en Ebola natuurlijk.

Daarnaast ben ik enorm neurotisch, een zogenaamde ‘pas op, kijk uit moeder’. Ik weet dat het de bedoeling is dat je je kinderen een beetje vrij laat, dat je ze de ruimte geeft om af en toe uit een klimrek te donderen, of hun hele melkgebit kapot te vallen op een stoeprand. Dat staat in alle pedagogische boekjes. Omdat ze daarvan leren hun lichaam onder controle te houden en het ze bovendien zelfstandigheid en zelfvertrouwen geeft. Allemaal goede dingen die ik van harte toejuich. Maar ik kan het niet aanzien, mijn wiebelende 2-jarige peuter op meer dan de tweede sport van de ladder van zo’n verrekte hoog speelhuisje. Mijn 6-jarige dochter die rakelings tussen de zwiepende schommels door zeilt en dus op het nippertje een derdegraads hersenschudding misloopt. Mijn 8-jarige zoon die op die schommel heel stoer zo hoog gaat dat hij zowat over de kop gaat. Ik krijg er hartritmestoornissen van. En zeer onaangename zweetaanvallen.

En dus ben ik die schreeuwmoeder, waar alle andere, zeer relaxte, moeders een bloedhekel aan hebben. Misschien heb je me weleens gezien, want ik was het, dat hysterische blonde viswijf, dat als een kip zonder kop achter mijn kinderen aan de glijbaan af dook, onderwijl blaffend: “Nee, NEE! Niet achterstevoren! Op je kont, lieverd! Op je KONT!”. Ik ben namelijk altijd de enige moeder die daadwerkelijk tussen de speeltoestellen te vinden is. De andere mama’s zitten genoeglijk bij elkaar op de bankjes aan de rand van het speelterrein, de laatste schoolpleinroddels uitwisselend en af en toe achteloos een hand rozijntjes over het hek smijtend, waar het spelend grut dan als een stel hyena’s op aanvalt, zonder dat de moeder in kwestie ook maar op of om kijkt of haar eígen grut daar überhaupt wel bij zit, danwel nog onder de levenden is en niet bloedend onderaan één of andere touwladder ligt. Echt, respect. Ik benijd dat soort koelbloedigheid.

“Weet je hoe vaak ik uit een boom gevallen ben?” vroeg mijn man laatst hoofdschuddend, tijdens een zondagmiddag in de speeltuin, waar ik 112 alvast onder de knop had zitten en angstvallig probeerde mijn kinderen stationair te houden bij het laagste speelhuisje dat er was, terwijl ze werden uitgelachen door een stel rondkruipende baby’s zonder valhelm, die van hun ouders best zelf van de hoogste glijbaan af mochten. “En ik leef toch ook nog gewoon?”. Ja, dat was waar. Hij had er zelfs geen littekens of slecht aan elkaar gegroeide botten aan overgehouden. Ik ben gewoon een overbezorgde moeder en daarom zijn mijn kinderen de mietjes van de speeltuin geworden; #parentfail.

Ik heb dus maar besloten dat ik voortaan niet meer mee ga naar de speeltuin. Mijn kinderen gaan gewoon maar zelf en dan zie ik wel of ze al hun tanden nog hebben als ze thuiskomen. Ik koop een mobieltje voor ze en bij echt ernstige verwondingen kunnen ze dan zelf de autoriteiten verwittigen. Op die manier kunnen zij eindelijk naar hartelust plakkerige vriendjes maken en proberen hun door hun hysterische moeder zorgvuldig gecultiveerde motorische achterstand enigszins in te lopen. Dan kan ik thuis op de bank een boek lezen met een glas Sauvignon. Ik zeg: win-win situatie.

LEES OOK: Waarom ik liever afspreek met collega-moeders.

Lees ook
Geschreven door
More from Vala van den Boomen

Hoezo scoren jonge yuppen hoger in de geluks-peilingen dan alleenstaande moeders?

Onderzoek heeft uitgewezen dat het hebben van kinderen dus helemaal niet leuk...
Lees verder