Zoektocht naar een Amsterdamse basisschool (of: hoe je langzamerhand GEK wordt)

Femke’s zoon Max is net 3 jaar geworden en heeft een brief gekregen van de Gemeente Amsterdam waarin staat dat het tijd is om hem op te geven voor een basisschool. Met goede moed zijn Femke en haar man op pad gegaan om verschillende scholen te bekijken, maar hoe meer ze er bezochten, hoe mismoediger ze werden. In Amsterdam krijg je namelijk te maken met een lotingssysteem en zo kan het gebeuren dat je kind op een school terecht komt waarmee jij, als ouder, helemaal niet blij bent.

Als je in Amsterdam woont, weet je dat een basisschool vinden niet makkelijk is. In ieder geval niet zo makkelijk als in mijn geboorteplaats Harderwijk. Daar ga je gewoon naar de school in de wijk waar je woont. Je maakt er een afspraak met de directeur, loopt een rondje, ziet dat het goed is (het is eigenlijk altijd goed) en dan schrijf je je in. Hoe anders gaat dat in Amsterdam. Daar moet je tegenwoordig tien voorkeuren opgeven. Tien? Ja, tien! Je kunt er minder opgeven, bijvoorbeeld drie, maar dan kan het maar zo zijn dat die drie vol zitten en dan wordt je kind lukraak op een school geplaatst.

Lees ook: Wat je allemaal leert in het eerste schooljaar van je kind.

Het gaat eigenlijk nergens over, want er zitten er maar tien in je zogenaamde voorrangsgebied (gebaseerd op je postcode, waar je voorrang krijgt op de kinderen uit wijken buiten het postcodegebied) en die tien scholen zijn vanzelfsprekend niet allemaal geschikt. In Amsterdam wordt er geloot om één en ander zo eerlijk mogelijk te laten verlopen. Dat betekent dat je meedoet in de loting op de school van je eerste keuze en als je uitgeloot wordt, kom je op de reservelijst te staan. Je zou denken dat je daarna meegaat in de loting van de tweede school, maar dat is niet zo. Alle lotingen zijn op hetzelfde moment en je komt bij de overige scholen van jouw selectie op de reservelijst (die aangesproken wordt als er bijvoorbeeld een kind gaat verhuizen). Ouders raadden elkaar aan om strategisch te kiezen (en dus bijvoorbeeld je nummer drie op één te zetten, omdat je anders weleens op de school van je zevende keuze geplaatst kunt worden. En dat is namelijk hoogstwaarschijnlijk een minder populaire en goede school, anders had je ‘m niet op zeven gezet).

Toen Reinier en ik begonnen met het inventariseren welke scholen er in onze buurt waren, kregen we van alle kanten te horen dat we naar School A moesten. School A is een witte school, met voornamelijk kinderen van hoogopgeleide ouders. Ik kreeg meteen weerzin. Van nature ben ik nogal tegendraads. Als iedereen zegt dat we rechtsaf moeten, dan wil ik eerst links proberen, dat idee. En daarbij is er een school op vier minuten lopen van ons huis, dus waarom niet daar naartoe?

School A hield echter de eerste informatieochtend. Er kwamen wel tachtig mensen naartoe (terwijl er vaak maar vijftien tot twintig plaatsen te vergeven zijn). Ze stelden vragen als: “Naar welk vervolgonderwijs wordt er het meest uitgestroomd?” en “Houden jullie ook in de gaten of iemand die naar het VWO gaat na drie jaar nog steeds op het VWO zit?” Ik vond het een beetje snobistisch, maar het moest gezegd: het was een hele gezellige, schone school met enthousiaste meesters en juffen en de kinderen zagen er gelukkig uit. Toch wilde ik de school op vier minuten van ons huis ook zien; school B. De informatieochtend aldaar werd een stuk minder goed bezocht: er zaten vier stellen. Twee allochtone stellen, Reinier en ik en een stel dat nu nog in Amerika woont en naar onze wijk zou gaan verhuizen en vandaar op zoek was naar een school voor hun zoon. School B is een zwarte school. Dat was me verteld en ik zag het nu ook. In de klassen moest je de witte kinderen met een lampje zoeken. Ik deed heel erg mijn best om mijn zoon er tussen te zien, maar toen de directeur vertelde dat ze inmiddels een continuerooster hebben, omdat er in de grote pauze zoveel conflicten en gevechten op het plein waren dat ze die de rest van de middag moesten uitpraten, begon ik te twijfelen. Vervolgens sprak ik een moeder uit onze straat die vertelde dat ze haar dochter naar school B had gestuurd, maar dat het meisje nooit gevraagd werd om ergens te spelen, omdat de verschillende culturen niet mengden. De Marokkaanse moeders namen alleen Marokkaanse kinderen mee naar huis, zo vertelde ze. Ik baalde. Ik wilde het echt graag, maar het gaat om je kind. En hoe idealistisch je ook bent, je gaat je kind niet als breekijzer gebruiken in zo’n belangrijk fase van zijn leven. School B was dus exit.

School C, op zes minuten afstand, bleek vrij snel daarna ook exit, want Reinier merkte op de informatieochtend op dat de leraren er totaal uitgeblust uitzagen en dat er werkelijk in elke klas een enorm grote tv aanstond. Bovendien was er net een leraar weggestuurd vanwege het bezit van kinderporno. Misschien moet dat laatste geen overweging zijn (het kan waarschijnlijk overal gebeuren) maar het voelt toch niet fijn om je kind naar zo’n school te sturen. School D vond ik wel oké, maar was oud en viezig, heel erg groot en zag er chaotisch uit. School E was geweldig, net zo leuk als school A, maar ook daar stonden weer honderd ouders op de informatieochtend (en dan weet je het wel). Reinier en ik begonnen erover na te denken of we buiten onze wijk moesten gaan kijken. Misschien in het centrum zelfs. Maar toen we ervan overtuigd waren dat dat inderdaad weleens goed kon zijn, bedachten we dat de Goede Scholen in het centrum buiten ons postcodegebied (en dus buiten ons voorrangsgebied) vallen en dat je dan sowieso geen schijn van kans maakt.

Ik had niet gedacht dat dat hele schoolgebeuren zo’n enorm ding zou worden. En dan te bedenken dat ik er in beginsel zin in had. Toen ik er nog onbezorgd in stond en de eerste school bezocht, vroeg een moeder aan de directeur: “Aan wie moet ik de appeltaart sturen om mijn kind op deze school te krijgen?” Het was zogenaamd een grapje, maar er school overduidelijk een kern van waarheid in haar opmerking. Vreselijke vrouwen, die tigermoms, dacht ik nog op dat moment.
We zijn drie maanden verder en ik heb al acht scholen bezocht. Inmiddels ben ik erachter dat er eigenlijk maar één school is die ik wil. School A. Hij is niet te ver van ons huis, is gezellig, schoon, geeft onderwijs dat me aanspreekt en het personeel straalt er iets positiefs uit. De kans dat Max op school A terecht komt is echter ENORM klein. En ik ben daar echt kwaad over. Dit systeem klopt niet. Vroeger kon je je tenminste nog jaren van tevoren inschrijven zodat je wist dat je een grotere kans maakte op een plek op je gewenste school. Ik snap wel dat een loting iedereen een ‘gelijke’ kans geeft, maar het is toch eigenlijk van de zotte dat je niet zelf kunt beslissen op welke school je kind komt? Maak desnoods die populaire scholen groter! Of zorg ervoor dat de verdeling wit en zwart op alle scholen in de wijk hetzelfde is, zodat je er geen onderscheid meer is.

Ik voel me door dit gedoe met de dag meer een tigermom worden. Zo eentje die er alles aan doet om te zorgen dat haar kind het beste van het beste krijgt. Laatst liep ik, tijdens de honderdste informatieochtend, naast een andere moeder. Ook zij was er duidelijk helemaal klaar mee. Ze verzuchtte: “Wat een ellende, hè? Je moet maar afwachten waar je kind naartoe gaat. Het wordt voor je beslist!” Ik antwoordde, feller dan ik bedoelde: “Nou, ik heb allang bedacht dat ik, als mijn zoon geplaatst wordt op een school die me niet bevalt, net zolang ga proberen te zij-instromen totdat ik op School A zit.”

Zie hier: hoe het lotingssysteem van de Amsterdamse basisscholen een volkomen normale vrouw GEK maakte.

Lees ook: Een school vinden voor je kind, hoe doe je dat?

Geschreven door
More from Femke Sterken

Let op! Jonge ouders: doe dit vooral niet (want anders draai je dooorrrr)

In die allereerste periode nadat je een kind hebt gekregen, zijn er...
Lees verder