Kinderpsycholoog Rachel: “Boos worden is als een pannetje melk op het vuur.”

Rachel Plak (31) is getrouwd met Daniel en moeder van Boris (6 maanden). Ze is kinderpsycholoog en schrijft voor Me-to-We over de kinderen die ze in haar praktijk ziet. Uiteraard doet ze dat met gefingeerde namen en geanonimiseerde situaties.

Tegenover mij zit de achtjarige Bram met zijn ouders. “Word jij dan nooit boos?”, vraagt hij aan mij. “Ik wel”, zegt hij, “Soms wel vier keer op een dag.” Zijn ouders knikken instemmend. Het is duidelijk dat Bram niet overdrijft. Of ik nooit boos word? Hij moest eens weten. Vanochtend nog. Toen ik mijn fiets wilde pakken uit het fietsenrek, maar de buurjongen -voor de zoveelste keer- zijn fiets aan de mijne had vastgemaakt.

Lees ook: De 10 lastigste vragen die mijn kinderen mij hebben gesteld.

Ik vertel hem dat ook ik boos word. Dat hoort nou eenmaal bij mensen. “Maar,” voeg ik eraan toe, “als ik boos ben, ziet dat er anders uit dan bij jou.” Bram kijkt me niet-begrijpend aan. “Wat zou jij ervan vinden als ik in de supermarkt gillend op de grond zou gaan liggen, als de aardbeien op zijn? Dat zou wel een beetje gek zijn, of niet?” Hij grinnikt. Een volwassen vrouw op de grond in de supermarkt, dat zou wat zijn!

“Ik word zomaar ineens boos. Eerst ben ik blij, en dan poef! Dan ben ik boos.” Terwijl hij vertelt, kijkt hij serieus. Het is een slim jongetje dat goed kan vertellen. Als ik hem dat zeg, begint hij te blozen. “Bedankt”, mompelt hij verlegen. Hij is nog beleefd ook. “Weet je,” zeg ik, “vaak denken mensen dat ze ineens boos worden. Maar niemand wordt in één keer heel boos. Het begint heel klein en dan wordt de boosheid steeds groter. Soms gaat het wel snel. Zo snel dat je denkt dat je in één keer heel boos bent geworden.” Hij pulkt ondertussen aan zijn veters. “Boos worden kan je vergelijken met een pannetje melk op het vuur. Heb je weleens melk opgewarmd?”, vraag ik hem. Hij haalt zijn schouders op. “Ik maak soms cappuccino voor mama met de melkopschuimer.” Zijn moeder moet lachen. Ik ben blij dat ze wat meer ontspant. Vader kijkt opgelucht naar zijn vrouw.

“Als je een pannetje melk op het vuur zet, begint het niet meteen te koken, want de melk is nog koud.” Bram knikt, dat klinkt logisch. “Dat noemen we pannetje één. Er is niets aan de hand. Maar, als je een tijdje wacht, wat gebeurt er dan?” “De melk wordt warmer!”, roept hij enthousiast. “Precies! Maar het is nog moeilijk om te zien. Alleen als je heel goed kijkt, zie je piepkleine belletjes in de melk. Dat is pannetje twee. Bij pannetje twee ben je een héél klein beetje boos. Voor anderen is dat nog moeilijk om te zien.” “Mama zit in pannetje twee als papa voetbal kijkt”, meldt hij tussen neus en lippen door. Zijn moeder kijkt betrapt. “Bij pannetje drie is de melk al goed warm. Je kunt grote bellen in de melk zien. Voor andere mensen is het duidelijk dat je boos bent.”

Hoe denk je dat pannetje vier eruit ziet?”, vraag ik Bram. Hij denkt even na en zegt dat de bellen dan nóg groter zijn geworden. “Inderdaad, de bellen zijn zó groot dat de melk omhoog begint te komen in de pan. Zo gaat het ook met je boosheid. Je voelt je bijna uit elkaar knappen, zo boos ben je!” Hij knikt, dit komt hem bekend voor. “En dan komen we nu bij het laatste pannetje; pannetje vijf. Bij pannetje vijf is de melk zó warm geworden, dat het overkookt. De melk komt uit de pan, zo op het fornuis.” Hij kijkt me met grote ogen aan. “In boosheid betekent dat dat je zó kwaad bent dat je misschien wel gaat gillen, schreeuwen en met de deuren gaat slaan. Wat nog meer?” “Lelijke woorden roepen”, zegt hij zachtjes, “en bijten.” “Pannetje vijf is niet leuk he?”, zegt zijn vader terwijl hij hem een aai over zijn bol geeft.

“Als huiswerk ga je samen met je ouders een pannetje melk op het vuur zetten en kijken wat er gebeurt”, zeg ik tegen Bram. “Dit soort huiswerk vind ik niet erg”, zegt hij ineens weer vrolijk. “En je ouders krijgen ook huiswerk mee”, vervolg ik. “Vanaf nu gebruiken jullie de pannetjes thuis om aan elkaar te vertellen hoe je je voelt. Als iemand iets laat vallen, of zijn teen stoot, of verliest met een spelletje, zeg in welk pannetje je zit!” Hij kijkt zijn ouders aan en kraait van plezier “Jullie hebben ook huiswerk!”

“In welk pannetje zat je toen je hier binnenkwam?”, vraag ik hem. “Ik denk wel pannetje vier, of misschien wel vijf”. Bram draait zich om naar zijn ouders. “Toch?” Zijn ouders zijn het met hem eens. Hij was woedend bij binnenkomst. “Handig hoor, die pannetjes”, zegt zijn moeder.

Enkele weken later sta ik met een groep vrienden op de piste. De sneeuw is blubberig en de piste lijkt meer op een grasveld dan een besneeuwde berg. Het is onmogelijk om makkelijk naar beneden te skiën. “Ik tik hier pannetje drie aan”, hoor ik achter me. “Ik ook!”, murmelen de anderen. “S. is denk ik al voorbij pannetje drie”, zegt één van de vrienden terwijl hij naar achter ons wijst. S. smijt zijn skistokken de lucht. Hij kookt over van woede.

Lees ook: Wat je niet moet zeggen tegen ouders van temperamentvolle kinderen.

Lees ook