12 Dingen die je best mag denken als nieuwbakken tweelingmoeder

Janneke vond een tweeling krijgen geweldig, maar ook geweldig moeilijk, vooral de eerste paar maanden. Het voelde als een soort rollercoaster, maar dan een waar je met twee huilende baby’s (en je man, niet te vergeten) in zat. En waarom zat er verdorie geen gebruiksaanwijzing bij zo’n tweeling? Dus werd ze overvallen door allerlei (paniek)gedachten, waar ze gelukkig inmiddels (de tweeling is acht maanden) best om kan lachen. Kersverse tweelingmoeders: echt, het wordt makkelijker! Maar maak je intussen gerust ook schuldig aan een stuk of wat van deze gedachten.

Lees ook: 10 Dingen die je nooit moet zeggen tegen de moeder van een tweeling.

  1. Zaten ze nog maar in mijn buik.
    Al schuifelde ik tijdens mijn zwangerschap nog als een bejaarde over straat (‘Als je nog íets langzamer loopt, loop je achteruit, zei mijn vriend dan), kon ik door brandend maagzuur zelfs geen glas water meer drinken, en lag ik elke dag gekluisterd aan een CTG-apparaat thuis op de bank, terwijl intussen de klusjesman, de wasmachinebezorger en de sleutelkoning ons nieuwe huis op orde brachten, dat alles leek met terugwerkende kracht een oase van rust, welzijn en harmonie toen onze kinderen eenmaal geboren waren. Wat waren ze in mijn buik nog heerlijk stil en wat hadden ze nog weinig nodig. En wat konden we toch lekker met z’n drieën in bad sereen liggen zijn. Ik heb heel wat kraamtraantjes gelaten omdat we niet langer een heilige drie-eenheid vormden (en mijn kinderen ineens zoveel geluid produceerden).
  2. Eén kind tegelijk krijgen, wat moet dat heerlijk zijn.
    Ja, natuurlijk voelde ik me blij, trots en gezegend dat ik zomaar twee kinderen had gekregen. Maar had er niet twee jaar tussen kunnen zitten in plaats van twee minuten? Stiekem was ik best jaloers op al die eenlingmoeders die al borstvoedend met hun kind in de draagdoek gezellig door de stad trokken na een week of wat. En die hun kind af en toe aan hun man uitbesteedden (‘Schat, vannacht mag ik doorslapen.’) Die thuis op de bank bevielen, en een uur later al met hun (schoon)familie aan de beschuit met muisjes zaten. En die niet ’s nachts, al goochelend met twee baby’s (Allebei de borst? De fles? Om de beurt? Tegelijk? Gekolfde melk? Poedermelk? Van allebei een beetje? De een meer dan de ander of toch evenveel? De een laten boeren terwijl de ander nog drinkt? Of de ander laten huilen en de een laten boeren? Tegelijk laten boeren en zo ja, hoe dan?) probeerden niet krankzinnig te worden.
  3. Hoe doen andere tweelingmoeders dat?
    Nou, ik heb inmiddels wat navraag gedaan en wat blijkt? Die doen ook maar wat. En soms werkt iets en soms niet. Of soms voor het ene kind wel en voor het andere kind niet. En soms heb je iets aan hun adviezen en soms niet. Maar één ding is zeker: het is heerlijk om ervaringen met ze uit te wisselen. Want ze zijn allemaal wel eens de wanhoop nabij (toch een soort van geruststelling).
  4. Help, ik heb één arm te weinig.
    Had ik tot voor kort altijd wel genoeg aan twee armen, ineens bleek ik één arm tekort te komen. Of misschien zelfs wel twee. Met name de nachten en dagen dat ik er alleen voor stond. Tweelingen, zo ontdekte ik, die zijn eigenlijk gemaakt om met z’n tweeën voor te zorgen. Of in je eentje met een paar extra armen.
  5. Ik kom nooit meer het huis uit.
    In die eerste kraamweken keek ik wel eens uit het raam. Nee maar zeg, er waren gewoon mensen buiten! En die zaten op een fiets! En de zon scheen! Het was net alsof zich buiten een soort parallelle wereld bevond, waarin voor mij geen plek meer was. Dit huis, daar zou ik nooit meer uit komen. Ik zou nooit meer op een fiets zitten. Of de zon op mijn gezicht voelen schijnen. Maar dat gebeurde allemaal toch. En toen voelde dat weer best normaal.
  6. Ik kan hiernaast nooit meer werken.
    Dat dacht ik echt, maar na een maand of vier was ik dolblij dat ik weer eens een dag op kantoor zat. Zomaar zelf bepalen wanneer je koffie neemt of naar de wc gaat! Het leek wel vakantie. En daarna was het extra fijn om weer met de baby’s te knuffelen.
  7. Morgen stop ik met de borstvoeding.
    Dit dacht ik de eerste zes weken elke dag wel een paar keer. Iedereen probeerde me bovendien over te halen om te stoppen, behalve de lactatiekundige, en een klein stemmetje in mijn hoofd dat dacht dat ik misschien op een gegeven moment niet meer veertig keer op een dag aan het voeden/kolven zou zijn. Inmiddels geef ik met acht maanden nog steeds (gedeeltelijk) borstvoeding en vind ik het het makkelijkste wat er is (want ik hoef ’s nachts en ’s morgens vroeg mijn bed niet uit).
  8. Genieten… wanneer dan?
    ‘Geniet ervan’ schreef zo’n beetje iedereen op de kaarten die we kregen. Ik wilde heel graag genieten! Maar wanneer dan? Als ik een zeer schaars minuutje voor mezelf had, kon ik bijvoorbeeld kiezen: snel een schaaltje yoghurt leeg lepelen of twee sms’jes sturen. En dan bleef er geen tijd meer over om te genieten. Eén collega schreef ‘sterkte’ op de kaart. Dat vond ik wel een opsteker eigenlijk.
  9. Ik kom nooit meer uit mijn joggingbroek.
    Toen iemand (mijn vader) na drie maanden vroeg of ik nou nog steeds die joggingbroek aan had, probeerde ik eens een halfuurtje een spijkerbroek, en wat denk je? Het litteken van mijn keizersnede (waarmee ik nogal veel gedoe had), barstte meteen weer open. Dus snel weer de joggingbroek aangetrokken en die draag ik nu nog steeds, af en toe afgewisseld met een legging of mijn andere favoriet: de zwangerschapsskinny. Al die heel strakke broeken van voor de zwangerschap staan toch niet meer zo leuk, vooral niet als ik op de grond de kinderen voordoe hoe ze moeten kruipen. Echt, als je het mij vraagt zijn joggingbroeken ontworpen voor dit soort gelegenheden (het moederschap).
  10. Ehm… dinges.
    Dat dacht ik meestal als iemand me een moeilijke vraag stelde of het over ‘de actualiteiten’ wilde hebben. Mijn zwangerschapskwalen hadden nou eenmaal dubbel zo hard toegeslagen en met de zwangerschapsdementie kwam het nooit meer goed. Vooral namen was ik vergeten of kon ik niet meer uit elkaar houden (behalve die van mijn kinderen). Zo beweerde ik al eens dat het kinderdagverblijf van mijn kinderen Het Hofnarretje heette, en vroeg ik onlangs nog of David Bowie nou die blinde zanger was? Sorry hoor, mijn brein is gewoon even heel druk met kinderliedjes onthouden.
  11. Wordt dit ooit makkelijker?
    Ja! Op dit moment kan ik van harte zeggen dat het veel makkelijker wordt! Waarom? Nou bijvoorbeeld omdat twee kinderen om de beurt een lepel geprakte banaan geven veel simpeler is dan ze om de beurt of tegelijk de fles/borst. Omdat je ze elke dag beter leert kennen en bijvoorbeeld weet dat kind 1 aandacht wil als het huilt en kind 2 juist met rust gelaten wil worden. En ook omdat je elke dag (nog) meer van ze gaat houden. Er zijn trouwens ook tweelingmoeders die beweren dat het moeilijker wordt, maar ik heb besloten om die niet te geloven.
  12. Welke vind ik nou liever?
    Als kind 1 iets ongelooflijks schattigs deed zoals een allerpoepigst, -schattigst, -briljantst geluidje in haar slaap maken, dan wist ik het zeker: dit was het allerpoepigste, -schattigste, -briljantste kind op de hele wereld. Maar wacht eens! Ik had nog een kind! Gelukkig maakte dat kind precies op dat moment een allersnoezigst, -liefst, -knapst beweginkje met haar handje en dan wist ik het zeker: nee, dit was het allersnoezigste, -liefste, -knapste kind op de hele wereld! Nee wacht eens, ze waren allebei precies even snoezig/lief/schattig/briljant/knap. Hoe dat kan, ik begrijp het nog steeds niet helemaal. Mijn hart is gewoon te klein voor zoveel liefde.

Lees ook: Waarom een tweelingmoeder grote behoefte heeft aan andere tweelingmoeders.

Geschreven door
More from Janneke Jonkman

Waarom een tweeling echt heftiger is dan twee baby’s kort na elkaar

Een tweeling, dat is toch net zoiets als twee kinderen kort na...
Lees verder