Ik dacht dat ik een oermoeder zou zijn, maar dat bleek een illusie

Wat voor soort moeder ga je worden, daar denkt iedere vrouw weleens over na voor ze kinderen krijgt. Wordt de theorie ook altijd de praktijk? Soms niet. En dat kan even schakelen zijn.

Eén van de eerste dingen die ik aanschafte toen ik zwanger was van mijn eerste kind was een draagdoek. Een mooie, zachtgroene Moby Wrap. Ik had namelijk besloten dat ik zo’n moeder zou zijn: een dragende moeder. Een moeder die haar kind altijd bij zich zou houden, als een aapje aan haar vastgeplakt, een borstvoedende moeder, een co-sleepende moeder. Kortom: een moeder zoals de natuur een moeder bedoeld had. Ik had alles gelezen wat er te lezen viel over baby’s, moederschap, hechting, verzorging en wat daar ook maar bij hoort en ik was er klaar voor. Ik was klaar om een oermoeder te zijn. En toen werd mijn zoon geboren. Was ik helemaal moeder. Maar oermoeder? Alles behalve.

LEES OOK: Alle moeders psychisch in de kreukels (en waarom we daarover moeten praten).

Toen ik mijn zoon eenmaal in mijn armen had wilde ik hem plat knuffelen. Wist ik dat ik nog nooit zoveel van iemand gehouden had. Dat hij bij mij hoorde en ik bij hem. Maar ook: dat ik hem niet de hele tijd bij me kon hebben. Niet 24/7. De avonden met hem clusterend aan mijn borst op de bank vond ik niet gelukzalig, zoals ik het me had voorgesteld. Ik zat niet onder een dekentje met mijn baby aan de borst te genieten, ik zat plichtmatig te wachten tot hij genoeg gedronken had, ik hem weer los kon koppelen en weer kon bewegen. Ik droeg mijn zoon in zijn zachtgroene doek, maar werd soms gek van het gevoel een ander mens aan mij vastgeplakt te hebben. Ik kon niet slapen met mijn zoon naast me in zijn co-sleeper, omdat ik wakker werd van ieder geluidje dat hij maakte, niet kon rusten met dat piepkleine baby’tje slapend aan en op mijn borst. Ik wilde het zijn, maar ik was het niet: die oermoeder.

Al heel snel sliep mijn zoon daarom in zijn eigen bed en kreeg hij de fles ipv de borst. Knoopte ik hem weliswaar geregeld in de draagdoek, maar heel vaak ook niet en reed ik hem in plaats daarvan rond in de kinderwagen. Omdat dat beter was. Voor mij. Omdat ik blijkbaar niet die moeder was. Die moeder die geniet van letterlijk altijd verbonden zijn met haar baby, één te zijn met haar kind. Ik genoot daar helemaal niet van, sterker nog, het benauwde me. Vloog me aan alsof iemand me bij mijn keel greep. Alsof iemand me in een piepklein doosje had gestopt en een zware steen op de deksel had gelegd. Geen bewegingsvrijheid, geen lucht. Ik stikte. Ik stikte in het moederschap en dus zat er niks anders op dan met alle kracht die steen weg te duwen en de lucht mijn longen in te laten stromen. Ze zeggen in het vliegtuig tenslotte niet voor niets: zet eerst uw eigen zuurstofmasker op, voordat u uw kind helpt. Dus dat heb ik gedaan.

Om een goede moeder te zijn, moest ik eerst mezelf van zuurstof voorzien en toch voelde ik me daar lang schuldig over. Vroeg ik me af of ik wel geschikt was om mijn zoons moeder te zijn. Vroeg ik me af waarom andere moeders het wel konden, uren, weken, maanden voeden, uren dragen, samen slapen en ik er niet toe in staat was. Ik knuffelde mijn zoon, speelde met hem, viel echt weleens samen met hem in slaap, hield meer van hem dan van wie of wat dan ook, maar symbiotisch met hem samenleven, ik kon het gewoon niet. En dat was een teleurstelling. Een teleurstelling in mezelf, omdat ik blijkbaar niet was wie ik dacht dat ik zou zijn. Wie ik het liefst had willen zijn. Wie ik dacht dat ik zou moeten zijn. Voor mijn zoon. Die ik de allerbeste moeder van de wereld gunde. Maar blijkbaar was ik dat niet. En dat deed pijn.

Het moederschap is een aaneenschakeling van verwachtingen en als die niet uitkomen, is dat best wel even slikken. Omdat het je aan het twijfelen brengt. Over het leven en over jezelf. Inmiddels weet ik dat het moederschap vormgegeven kan worden op vele manieren, dat er meer wegen zijn die naar Rome leiden. Mijn zoon en zijn zusjes hebben altijd lekker geslapen in hun eigen bedjes. Genoten van hun ritjes in de kinderwagen. Zijn prima gegroeid op hun flesjes. Ze hadden geen oermoeder nodig, want ze hadden mij: hun gewone moeder. Hun moeder die onnoemelijk veel van ze houdt, maar soms ook even ruimte nodig heeft. Soms heel even geen kindje, op, aan, of bij haar moet hebben. Om te kunnen ademen. En daarna haar kinderen weer te kunnen helpen. Want het oermoederschap, dat is gewoon niet voor iedereen weggelegd. Ik zou er in ieder geval aan onderdoor gegaan zijn. En in dat geval kun je maar beter een gewone moeder hebben, dan helemaal geen moeder.

LEES OOK: Pak de tissues! Moeder schrijft prachtige post over hoe snel de tijd gaat

Lees ook
Geschreven door
More from Vala van den Boomen

Zal ik wel, of zal ik niet…? Het borstvoedingsdilemma

Over niet al te lange tijd krijgt Vala haar derde kind. Bij...
Lees verder