Waarom ik zonder mijn zoon op vakantie ging (en hoe schuldig ik me daarover voel)

Vala ging deze zomer met haar man en twee dochters op vakantie. Haar zoon liet ze thuis. Omdat op vakantie gaan met hem eigenlijk geen vakantie is. Maar vooral keihard werken. En dat doet ze het hele jaar al wel genoeg.

Ja, kom maar door met die stenen en de modder om te gooien, want deze bekentenis maakt mij nu natuurlijk echt, officieel, de meest ontaarde moeder van de Lage Landen. Want ja, je leest het goed: één van mijn drie kinderen mocht niet mee op vakantie. Even voor de goede orde: ik heb ‘m niet opgesloten in de kast onder de trap met een kan water en een halfje bruin om de week mee door te komen, hoor. Dat ging me dan weer nét te ver. Hij was gewoon bij z’n vader. Terwijl zijn zusjes samen met mij vakantie vierden dus. In het zwembad lagen, ijsjes aten en kastelen bezochten zat hij thuis in de Nederlandse regen. Lullig? Zo klinkt het wel. Dat vind ik zelf ook. Maar als ‘ie wel mee was gegaan dan had helemaal niemand een leuke vakantie gehad. Wij niet, maar hij zelf ook niet. Want waar vakantie voor de meeste kinderen een feestje is, is het voor mijn zoon eigenlijk gewoon de hel. Hoeveel zonovergoten dagen en lekkere ijsjes je er ook tegenaan smijt.

Lees ook: Waarom ik af en toe zo graag een normaal gezin wil.

Dit artikel gaat door onder de afbeelding

Het autisme van mijn zoon maakt dat hij het best gedijt bij de grootst mogelijke saaiheid. Als hij het voor het zeggen had, dan was ‘ie het liefst iedere dag thuis, met mij of met z’n vader, en ging alles altijd helemaal hetzelfde. Waar andere gezinnen zich verheugen op de schoolvakanties, zien wij er altijd met angst en beven tegenop. Zetten we ons dagen van tevoren al helemaal schrap, omdat we weten: dit wordt afzien. Helemaal als we het ook nog in ons hoofd halen ‘leuke dingen’ te gaan doen. Want die leuke dingen, dat zijn dingen die we normaliter uiteraard niet doen. Ik ga in ieder geval niet ieder weekend naar de Efteling. Of met de sleurhut richting Frankrijk. En dus zijn die dingen voor onze zoon vooral heel raar en nieuw en eng. Veel en groots. En doet hij z’n uiterste best om daar enthousiast over te zijn, maar krijgt hij het gewoon niet voor elkaar. Waardoor hij uit pure onmacht en paniek onhandelbaar wordt en iedereen de hele vakantie boos, wanhopig en verdrietig is. En we reikhalzend uitkijken naar het moment dat we weer naar huis mogen. Alles eindelijk weer normaal wordt.

De vorige vakantie met z’n vijven was dan ook een waar fiasco. Waarbij ik na drie dagen ’s avonds huilend tegen Mario zei dat ik het liefst gewoon alles weer in zou pakken en rechtsomkeert wilde maken. Waarbij mijn lieve zoon een week lang met ogen zo groot als schoteltjes van paniek door het vakantiehuis dwaalde, afgesloten voor alles en voor iedereen en er binnen de kortste keren uitzag als een lijk dat van de weeromstuit een tweede keer was dood gegaan. Dat het voor ons niet leuk was, was vervelend maar nog tot daaraan toe. Maar dat dat arme jongetje er zo bij liep, dat vond ik nog veel erger. Want ík had hem daar naartoe meegesleept, de grond onder zijn voeten weggemaaid, hem eigenlijk in het diepe gesmeten zonder dat hij zwemmen kon. En nu moest ik aanzien hoe mijn kind nauwelijks boven water bleef, watertrappend probeerde om naar lucht te blijven happen terwijl hij bijna stikte. Gezellig hè, vakantieman? Nou sorry, maar dan blijf ik dus liever thuis.

Maar ja, ik ben niet autistisch. Ik houd wel vakantie en heel simpel: ik heb het ook nodig. Ik leid niet het makkelijkste, meest relaxte leven en dus heb ik af en toe even pauze nodig. Moet ik juíst weg kunnen uit die vertrouwde omgeving, even luchten, het spreekwoordelijke ventiel openzetten. Net zoals mijn man en mijn twee andere kinderen. Die twee andere kinderen, die ook behoeften hebben. En recht op dingen. Die wel willen zwemmen in het meertje bij het huisje. Die er wel iedere dag op uit willen om nieuwe dingen te zien en te doen. Die wel ander eten lusten en niet bang zijn dat we de weg kwijtraken als we ergens lopen waar we we nog nooit eerder zijn geweest. En dus maakten we dit jaar, met elkaar, als gezin, een keus die ons gezin letterlijk uit elkaar trok. En voelde ik me op vakantie een beetje geamputeerd. Maar was het tegelijkertijd ook heerlijk om, voor het eerst in bijna zeven jaar, echt dat vakantiegevoel te hebben. Dat gevoel van ontspanning, van even echt helemaal niks. Dat ik maar liefst een héél boek heb kunnen lezen, op ons terras kon blijven zitten terwijl mijn dochter uit het zicht speelde en ik niet bang hoefde te zijn dat er iets zou gebeuren. Dat er geen autistische driftbuien waren om te beteugelen, geen spontane zindelijkheidsproblemen van de spanning, niks van dat alles. Opeens waren we, heel even, een normaal gezin op vakantie. En dat was echt wel heel erg heerlijk. Hoe lullig het ook klinkt.

Ik heb mijn zoon iedere dag gemist deze vakantie. Me afgevraagd of hij boos was dat we hem niet hadden meegenomen. Zijn vader ge-appt of het wel goed met hem ging. Iedere dag heb ik even stilletjes een traan gelaten om de vakantie die we misschien wel nooit zullen hebben. Die echt leuke vakantie met z’n allen. Want het allerliefst zou ik dat natuurlijk willen. Maar de realiteit is dat dit misschien wel ons voorland is. Dat die drie weken op een buitenlands strand met z’n vijven er niet in zitten. Dat we altijd incompleet vakantie moeten vieren. Want natuurlijk voelt het voor ons zo: incompleet. En dat doet pijn. Pijn van gemis en van schuldgevoel. Omdat het voelt alsof ik hem achterlaat, niet mee wíl hebben. Terwijl ik eigenlijk niets liever zou hebben dan op vakantie ál mijn kinderen om me heen. Mijn zoon is deel van mij en als ik mijn twee dochters in de zon zie spelen, dan zie ik naast hen voornamelijk die lege plek waar eigenlijk hun grote broer had moeten staan. Voel ik toch even een steek als ik na een dag plezier de foto’s bekijk die we genomen hebben, omdat hij er niet op staat.

Bij thuiskomst zei mijn zoon dat hij het die week alleen bij papa ‘heerlijk rustig’ had gevonden. Dat hij een volgende keer heus wel weer mee zou gaan: “Als ik 10 ben ofzo, mama.” Een hele opluchting, want blijkbaar heb ik hem niet voor de rest van z’n leven getraumatiseerd. En ik hoop, ik hoop zo erg, dat we niet hoeven te wachten tot hij 10 is. Dat hij volgend jaar gewoon weer mee kan. Het is waarschijnlijk wishful thinking, maar soms worden dromen werkelijkheid. En op díe vakantie, ook al duurt het nog jaren voor het zover is, kan ik me nu al ongelooflijk verheugen. Als het kon, zou ik het liefst nu al boeken.

Lees ook: Waarom iedere moeder af en toe een dag voor zichzelf op moet eisen.

Geschreven door
More from Vala van den Boomen

Vreedzaam scheiden, gelukkige kinderen? Of juist niet?

Vala is gescheiden. Haar ex-man en zij hebben co-ouderschap over hun twee...
Lees verder