Dingen die erop wijzen dat je bijna een peutermoeder bent

De overgang van schattige kleine baby en dreumes naar peuter gaat vaak ongemerkt. De ene dag ligt je kind nog zoet in je armen, de volgende dag ligt ‘ie te schuimbekken in de supermarkt. De peuter(puber)tijd besluipt je ongemerkt en voor je het weet wordt je erdoor verrast. Er zijn echter een aantal signalen waaraan je kunt merken dat het bijna zover is. Aan de langzaam opkomende pulserende ader op je voorhoofd bijvoorbeeld. En als je deze dingen bij jezelf waarneemt, zet je dan maar schrap, want dan ben je bijna een peutermoeder:

Lees ook: Deze 8 dingen heeft elke moeder van een peuter nodig.

  1. Je begint je steeds vaker af te vragen: “Is dit eigenlijk normaal?”, over dingen die je kind doet (gillen als een brandalarm bij alles wat niet mag, schuimbekken bij iedere luier die verschoond moet worden. En ja, sorry, maar dat is dus normaal. Bloedirritant, maar wel normaal).
  2. Je gaat nog vrolijk en vol vertrouwen boodschappen doen met je kind en bent dan verbaasd dat je zwetend en met maar de helft van de dingen op je lijstje thuis komt.
  3. Je bent in de veronderstelling dat ‘gewoon even consequent zijn’ die driftbuien binnen drie dagen wel in de kiem zullen smoren (droom lekker verder…).
  4. Je gaat nog met je bijna-peuter in discussie (“Ja, want het is wel belangrijk dat je kind zich gehóórd voelt, hoor.” Eh, nee dus. Na de zoveelste krijspartij koop je peperdure oordoppen en is het enige antwoord op wat je kind dan ook zegt: “daarom”, of “omdat ik het zeg!”).
  5. Je vindt het nog schattig als je kind ‘selluf’ zijn schoenen aan wil doen en daar dan drie kwartier over doet. Soort van.
  6. Je denkt dat het aan jou ligt dat je kind opeens al drie weken weigert een hap te eten, of stelselmatig zijn bordje met die zorgvuldig geprepareerde bulgursalade met zongedroogde tomaten op de grond keilt (“Maar ik heb nu dat nieuwe kinderkookboek gekocht, dat helpt vast”. Echt, dat gaat niet werken. Leg je erbij neer dat je kind de komende twee jaar zal leven op spaghetti Bolo en af en toe een doperwt).
  7. Je bent in allerijl met je kind naar de huisartsenpost gereden toen hij opeens, uit het niets, wild krijsend op de grond lag (Dat heet een driftbui en er zullen er nog velen volgen…).
  8. Je man moet opeens ieder weekend een pallet Sauvignon Blanc bij de Gall & Gall wegslepen, omdat die flessen aan het eind van de week toch altijd opeens weer op zijn.
  9. Aan het eind van de dag voel je soms je eigen gezicht niet meer (dat komt van al het boze fronsen. Investeren in een dure dagcrème (of Botox) is vanaf dat moment vereist).
  10. Je hebt geen seks meer met je man (dit vertel je je vriendinnen alleen fluisterend en pas na drie glazen wijn), ‘omdat je je er gewoon niet meer toe kunt zetten’.
  11. Je vertelt semi-grappend anekdotes over wat Teuntje nu weer voor ondeugends heeft gedaan (“Jaaa, zo schattig eigenlijk, hè…”), maar vraagt daarna met angst in je stem aan je vriendinnen “Doen die van jou dat nou ook?”).
  12. Je hebt nieuwe wallen. (De laatste keer dat je in de spiegel keek waren die net mooi aan het wegtrekken. Maar ja, nu wil de bijna-peuter ‘s nachts opeens “Neee!!! Niette slapeh, mama!!!”).
  13. Je begint te twijfelen of je nog wel een volgende kind wilt (een maand geleden wilde je nog een groot gezin, want “Zo gezéllig!”).
  14. Je begint een beetje uit te dijen (chocola en kaas zijn namelijk je enige houvast).
  15. Je wilt steeds vaker afspreken met je vriendinnen zónder kinderen erbij (“Weet je, ik laat hem gewoon even lekker thuis, kunnen wij bijkletsen. En zullen we dan ook gelijk maar een hapje gaan eten ‘s avonds?”).
  16. Je gaat meer werken (tuurlijk, om jezelf weer wat meer te ontplooien… Of om gewoon acht uur per dag te ontsnappen aan die kleine dictator thuis, dat mag je ook gewoon zeggen, hoor).
  17. Je gaat teveel geld uitgeven (als die chocola en kaas ook niet meer helpen, is retail therapy de laatste strohalm).
  18. Je schuift je principes aan de kant (“Ja, nee, ik zei altijd: niet bij ons in bed. Maar ja, de hele nacht wakker is ook zowat, hè?”, of “Ik móet er wel appelmoes bij geven, anders eet ‘ie gewoon niks! Maar het is wel biologische appelmoes natuurlijk, dus dan is het niet zo erg”).
  19. Je vraagt steeds vaker of je vriendinnen naar jou toe willen komen. Want stiekem ben je bang dat je kind een hysterische driftaanval krijgt, midden op de tramhalte.
  20. Je kent ineens de tune van Sam Brandweerman uit je hoofd (“Nou ja, het zal eigenlijk wel meevallen met hoe schadelijk tv kijken is voor kinderen? Toch?”).
  21. Je vraagt nóg maar eens of het ‘wel normaal is’ wat je kind allemaal doet. (Ja echt lieverd, het is normaal. En het gaat over).

Lees ook: Als je met je peuter naar de opvoedpoli moet.

Lees ook
Geschreven door
More from Vala van den Boomen

Een school vinden voor je kind, hoe doe je dat?

Vroeger was het simpel: er was één basisschool in het dorp en...
Lees verder